Goud bekleedde doorheen de geschiedenis verschillende functies. Als machtssymbool, religieus, esthetisch, en vooral financieel gereedschap. Die rol hangt zeer sterk samen met die van het geld. Maar hoe 'in goudsnaam' is het zo tot stand gekomen? Aangezien ze in het oude Egypte niet met euro’s betaalden, is er veel te ontdekken tussen toen en nu. Lees mee.

Hoe koop je een brood wanneer je geen geld op zak hebt? ‘Onmogelijk’, denk je? Aan de start van de menselijke beschaving zag niemand hier echter graten in. Geld bestond nog niet: je ruilde. Met de appels die je in de ochtend plukte bijvoorbeeld. Of met welk voorwerp dan ook. Zolang de huidige eigenaar van dat brood er nut of waarde in zag, had je een deal.

De eerste vorm van handel - ruilhandel - was daardoor zeer subjectief. Want een appel is meer waard voor een Inuit in Groenland, dan voor de inwoners van de Haspengouw. Al snel kwam de nood opzetten voor een intermediair betaalmiddel. Een voorwerp waarmee je aankopen deed dat overal evenveel waard was.

Het China van 1300 voor Christus vond hier wat op: schelpengeld. Schelpen hadden geen enkel praktisch nut, ze dienden louter als tussenstap. De eerste vorm van geld zag het daglicht en werd algemeen geaccepteerd als betaalmiddel. Schelpengeld hield uiteindelijk meer dan 3000 jaar stand; zelfs vandaag kan je er nog steeds een boeket papieren bloemen mee kopen op het strand van Blankenberge.

 

Kauri schelpen die meer dan 3000 jaar dienst deden als betaalmiddel.Kauri schelpen die meer dan 3000 jaar dienst deden als betaalmiddel.

 

Munt slaan uit goud
Geld slaagt pas in zijn opzet, wanneer het voldoet aan enkele voorwaarden. Een betaalmiddel moet daarom de volgende checklist doorstaan:

+ Het is een schaars goed. Hoe meer ervan in de omgang, hoe minder het voorwerp waard is.

+ Draagbaar en niet vergankelijk. Zouden we beslissen om ‘koeien’ als geld te hanteren, zou het een hele klus zijn je portemonnee overal mee te dragen. Bovendien ben je bankroet wanneer jouw koe sterft.

+ Gestandaardiseerd en deelbaar. Je moet geld kunnen splitsen en onderling wisselen: hoe ontvang je anders je wisselgeld bij de bakker?

+ Het voorwerp mag niet na te maken zijn. 

+ De overheid erkent het als een wettig betaalmiddel.

Het eerste geld dat aan al deze voorwaarden voldeed verscheen op het wereldtoneel rond 560 voor Christus. Het waren de Lydiërs - het huidige Turkije - die voor het eerst pure gouden en zilveren munten uitbrachten.

 

De eerste gouden munt uit de geschiedenis.

 

Papiergeld komt op de proppen
Een probleem diende zich aan. Handelaars groeiden en maakten steeds grotere deals. Daardoor zag je steeds vaker grote goudtransporten. Een risicovolle evolutie waar struikrovers en piraten hun vingers bij aflikten. 

Het was - opnieuw - China dat met de oplossing kwam. Handelaars brachten hun goud en zilver onder bij - speciaal daarvoor opgerichte - corporaties: de eerste banken. Handelaars wisselden hun goud en zilver om tegen ontvangstbiljetten. Die bleven daarna in de economie circuleren als betaalmiddel.

Na verloop van tijd gaven banken meer bankbiljetten uit dan dat ze aan goud en zilver in bewaring hadden. Een concept dat fractioneel bankieren heet. Door meer geld in de omgang te brengen - er is namelijk maar een beperkte hoeveelheid goud - zal de economie & handel floreren.

Hier startte de haat-liefderelatie van de mens met papiergeld. Doordat de creatie ervan nagenoeg onbeperkt was (en nog steeds is), kon er overproductie plaatsvinden. Van zodra er teveel geld in omloop kwam, verloor het dan ook zijn waarde. Telkens dat gebeurde, was het de natuurlijke reactie van de mens om massaal opnieuw geld om te wisselen naar goud. Want goud is goud, en dat verloor zijn waarde niet.

 

De ontvangstbiljetten uit het China van 600 na Christus

 

Next stop: Fiatgeld
Nee, je koopt er geen Italiaanse auto mee. Het omschrijft een versnelling in het monetaire landschap: een nieuwe manier om geld waarde te geven. Aangezien elke vroege vorm van papiergeld eindigde in een fiasco, bedachten overheden een oplossing. Die kwam in de vorm van fiatgeld. Vertaal het Latijnse woord ‘Fiat’ en je krijgt: ‘het weze zo’.

Het concept was simpel: de overheid besliste dat geld waarde had en dwong de aanvaarding ervan af. Geld werd niet langer gewaarborgd door een hard activa als goud of zilver. In de plaats daarvan kreeg je de integriteit van de overheid als achterliggende waarborg. Die ging namaak tegen en besliste hoeveel geld er in omloop kwam. 

Zo werd de overheid verantwoordelijk voor de instandhouding van de waarde van het geld. Of ze daar doorheen de geschiedenis ook effectief in zouden slagen, is een andere zaak. Denk maar aan oorlogssituaties of grote crisissen waar snelle geldcreatie een kortetermijnoplossing kon bieden: met een uiteindelijke inflatie tot gevolg.

 

Fiatgeld: deze dollar is iets waard, omdat de overheid het zo beslist.

 

De gouden les die we hieruit trekken
De Griekse drachme, Nederlandse gulden, Duitse mark en Belgische frank... Het lijstje munteenheden doorheen de geschiedenis is lang, maar hebben allen één gemeenschappelijke factor. Ze dienen als tussenstop, een betaalmiddel om koopkracht te bewaren. Geld dient niet om te sparen

Voltaire wist in de 18e eeuw al te vertellen dat met de geringste inflatie, de waarde van papiergeld onvermijdelijk evolueert naar nul. Wanneer je vandaag al je geld op een spaarrekening zet, is de rentevoet kleiner dan de inflatie. Zo verliest jouw geld op lange termijn zijn waarde.

Goud blijkt een betere vorm van waardeopslag te zijn. Het is gewapend tegen inflatie en doorstond de tand des tijds.