Leigh Goehring en Mats Rozencwajg zijn twee gerespecteerde analisten met gezamenlijk 50 jaar ervaring in de grondstoffensector. Samen startten ze in 2016 een research-firma specifiek voor grondstoffen. Klanten voor hun onderzoek zijn verschillende grote institutionele investeerders. Hun recente bijdrage over goud kunnen we u niet onthouden.
Goehring en Rozencwajg zijn van mening dat goud nu in verhouding even goedkoop is als in augustus 1999, toen een troy ounce aan 251 dollar werd verhandeld. Ze komen daarop door de waarde van de goudvoorraad in handen van het Amerikaanse Ministerie van Financiën (US Treasury), vanuit historisch standpunt, te vergelijken met zowel de geldhoeveelheid als de waarde van bepaalde financiële activa. Die Amerikaanse invalshoek kan worden verantwoord omdat de dollar de wereldreservemunt is en de Verenigde Staten over de grootste goudhoeveelheid beschikken. In tegenstelling tot de meeste andere landen heeft, in de VS, niet de centrale bank (Federal Reserve) de controle over dit goud maar wel de US Treasury zelf.
Voor de bepaling van de geldhoeveelheid wordt gekeken naar de zogenaamde monetaire basis (M0). Dat is de meest strikte definitie van de geldhoeveelheid (er is ook nog M1, M2, M3, …). Naast het geld in omloop bestaat M0 uit reserves die de commerciële banken bij de Federal Reserve aanhouden. Die reserves dienen als basis voor verdere kredietverlening aan gezinnen en bedrijven. Het onderzoek bekeek de situatie bij 2 significante bodems van de goudprijs in 1971 en 1999, net voor een grote stijging zich inzette. Toen lag de monetaire basis op respectievelijk 7 en 9 keer de goudwaarde. De goudprijs is sinds het jaar 2000 weliswaar met een factor 7 gestegen maar de omvang van de balans van de Federal Reserve groeide in die periode nog veel harder.
Alleen al sinds de start van de financiële crisis van 2007 en de opeenvolgende programma’s van monetaire stimuli (quantitative easing of QE) deden de balans van de Federal Reserve met een factor 10 toenemen. Anders gezegd: de stijging van de goudprijs blijft flink achter op de stijging van de geldhoeveelheid. Op dit moment is de monetaire basis 9 keer zo hoog als de goudwaarde. Goud is in verhouding nu dus even goedkoop als in 1999 en zelfs goedkoper dan in 1971.
Een andere parameter is de verhouding van de goudwaarde tot de financiële activa. Beide onderzoekers gebruiken daarbij de Dow Jones als maatstaf. In 1971 en 1999, beide bodems in de goudprijs, bedroeg de Dow/goud ratio respectievelijk 28 en 43. Op de toppen van 1980 en 2011 was dit respectievelijk 1 en 5. Momenteel bedraagt de verhouding 18. Dat lijkt op het eerste gezicht niet ondergewaardeerd, maar het is wel aan de bovenkant van de huidige cyclus. In verhouding tot bijvoorbeeld de Nasdaq is de onderwaardering van goud duidelijker.
Onderzoek van Goehring en Rozencwajg leerde dat de waarde van goud op een top 1,5 keer zo groot is als de monetaire basis. Die bedraagt momenteel 5,6 miljard dollar, wat volgens hun berekeningen met 32.000 dollar per troy ounce overeenkomt. Er is ook een voorzichtige benadering die enkel rekening houdt met de wettelijk verplichte reserves, en waar het overschot aan reserves wordt weggestreept. Dan wordt rekening gehouden met een monetaire basis van 2,45 miljard dollar. Dat brengt het prijsdoel voor goud, op het hoogtepunt van de opwaartse cyclus, op een nog steeds niet onaardige 14.000 dollar per troy ounce.
Bron: Goehring & Rozencwajg Natural Resource Investors